Kerkstraat 106 9050 Gentbrugge
info@refibo.be
+32 9 223 31 54
ma-vr: 9:00-13:00, 13:30-17:00

De wet op de openbare overnamebiedingen: tien aandachtspunten

De wet op de openbare overnamebiedingen: tien aandachtspunten

  • On 13/06/2007

Onderstaande aandachtspunten zijn rechtstreeks overgenomen uit De Tijd van 13/06/07.

1. Europese basisregels

De wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen zette de Europese overnamerichtlijn in de Belgische wetgeving om. Dankzij die richtlijn beloven grensoverschrijdende deals een stuk eenvoudiger te worden. Voortaan geldt in de EU een aantal duidelijke basisregels, zoals de verplichting een overnamebod uit te brengen als een bepaalde drempel wordt overschreven. De richtlijn legt die drempel niet vast, maar de facto is er een Europese harmonisatie: 30 procent in België en het VK, 33,33 procent in Frankrijk. Bovendien is het voortaan duidelijk wie als toezichthouder mag optreden bij grensoverschrijdende fusies. De bevoegde toezichthouder is in principe die waar de aandelen van de doelwitvennootschap verhandeld worden en zijn hoofdkantoor is gevestigd.

2. Put up or shut up

De beurswaakhond FSMA kan binnenkort een bedrijf of investeerder die op de beurs overnamegeruchten veroorzaakt, dwingen kleur te bekennen. De inspiratie vormde daarbij de ‘put up or shut up’-regel van de City Code, de Britse overnamewetgeving. De toezichthouder kan een investeerder die geruchten op gang brengt, vragen of hij van plan is een bod uit te brengen. Is het antwoord ja, dan moet hij binnen een door de FSMA bepaalde termijn effectief een bod lanceren. Is het antwoord neen, dan mag hij de komende zes maanden geen bod uitbrengen. In Frankrijk is dat nu al het geval, zoals François Pinault mocht ondervinden. De Franse miljardair liet in december doorschijnen interesse te hebben in Suez, wat de koers omhoog joeg. De Franse beurswaakhond AMF vroeg opheldering, waarna een boze Pinault zijn plannen minstens zes maanden moest opbergen.

3. Billijkheidsopinie

Bij een vrijwillig bod kan de bieder nog altijd vrij de prijs bepalen. Maar nieuw is dat als de bieder een controlerende aandeelhouder is, er verplicht een billijkheidsopinie (‘fairness opinion’) moet komen, van een of meerdere financiële experts en op kosten van de bieder. In dat geval is een tegenbod immers uitgesloten, en is de minderheidsaandeelhouder niet zeker een correcte prijs te krijgen. De bieder is niet verplicht zich aan die billijkheidsopinie te houden, maar de FSMA kan hem wel verplichten in het prospectus uit te leggen waarom zijn biedprijs er van afwijkt. Vroeger was zo’n fairness opinion uitzonderlijk – een schaars voorbeeld was het bod van BNP Paribas op Cobepa – en bovendien gebeurde die op kosten van het doelwit in plaats van de bieder.

4. Ruilbod

De nieuwe overnamewet bepaalt ook dat een ruilbod, waarbij de bieder eigen aandelen aanbiedt, niet altijd zonder meer kan. Als de aandelen van de bieder niet liquide zijn en niet op een gereglementeerde markt noteren – dus op Alter- next of de Vrije Markt – moet hij de aandeelhouder de keuze laten tussen een bod in aandelen of een bod in contanten. Die verplichting geldt ook als de bieder tijdens de 12 maanden voorafgaand aan het bod op de beurs meer dan 1 procent van de doelwitvennootschap kocht.

5. FSMA

De bevoegdheden van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten zijn in de nieuwe overnamewetgeving fors uitgebreid. ‘De FSMA beschikt nu over een zeer verregaande controlebevoegdheid’, zegt Van Gerven. ‘Dat was vroeger in de praktijk ook al zo, maar nu zijn die bevoegdheden eindelijk duidelijk bij wet geregeld.’ De FSMA controleert bijvoorbeeld voortaan ook alle mogelijke defensiemechanismen bij de doelwitvennootschap.

6. Vastgoedcertificaten

Voortaan vallen ook vastgoedcertificaten, traditioneel een belangrijk onderdeel van de Brusselse beurs, uitdrukkelijk onder de overnamewetgeving. Bij de vorige wetgeving was dat niet het geval.

7. 30 procent=verplicht bod

Voortaan geldt het basisprincipe dat een overnamebod verplicht is als de drempel van 30 procent wordt overschreden. Onder de vroegere wetgeving moesten twee voorwaarden vervuld zijn: de controle moest veranderen en voor die controle werd een meerprijs – controlepremie – betaald. Die dubbele voorwaarde was de achilleshiel van de wet van 1989. De precieze interpretatie van de begrippen ‘controle’ en ‘meerprijs’ was een vette kluif voor juristen, waarbij overnames zoals die van Wagons-Lits in een jarenlange juridische uitputtingsslag verzandden.

8. Holdings

De richtlijn liet nationale wetgevers flink wat bewegingsruimte bij de omzetting. Daar heeft de Belgische wetgever gebruik van gemaakt om bij het verplicht bod uit te breiden tot het typische cascadesysteem van de Belgische holdings. De overnamewet voert het begrip ‘houdstermaatschappij’ in. Dat is een maatschappij waarvan een Belgisch genoteerd bedrijf ofwel meer dan de helft van het nettoactief voor zijn rekening neemt, ofwel de voorbije drie jaar meer dan de helft van de nettowinst aanleverde.

Als een investeerder de exclusieve controle verwerft over zo’n houdstermaatschappij, is hij voortaan verplicht ook een bod uit te brengen op het ‘onderliggende’ beursgenoteerde bedrijf. Met die bepaling had de wetgever het ‘Royal Vendôme’-geval in het achterhoofd. In 1991 verwierf het Franse UAP via een deal met GBL de exclusieve controle op verzekeraar Royale Belge. Toch kwam er geen verplicht bod, omdat de deal via de tussenholding Royal Vendôme verliep.

Een bod is ook verplicht als een groep investeerders die in onderling overleg handelen, samen meer dan 50 procent van een houdstermaatschappij verwerven. ‘In de praktijk belooft die bepaling een juridisch kluwen te worden’, waarschuwt Van der Haegen. ‘Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een holding een van zijn participaties fors in waarde ziet stijgen, waardoor die participatie ineens meer dan 50 procent van de netto-actiefwaarde uitmaakt? Een holding kan zo ‘en stoemelings’ verplicht worden een bod uit te brengen.’

9. Prijs van verplicht bod

Bij een verplicht bod moet de overnemer de hoogste prijs bieden die hij in de loop van de voorbije 12 maanden betaalde. Indien echter de gemiddelde slotkoers op de beurs over de voorbije 30 kalenderdagen hoger ligt, dan is die gemiddelde koers de biedprijs.

10. Overgangsregeling

Vanaf 1 september hebben bedrijven en investeerders 120 bankwerkdagen de tijd – dus in principe tot eind februari – om bij de FSMA te melden of ze alleen of in onderling overleg met anderen 30 procent van een beursgenoteerd bedrijf controleren. Melden ze hun belang tijdens die overgangsperiode, dan zijn ze later niet verplicht een overnamebod uit te brengen. ‘Dat is een enorm voordeel’, merkt Van der Haegen op. ‘Die vrijstelling geldt dan in principe voor eeuwig. Zelfs als ze later hun belang bijvoorbeeld van 30 naar 40 procent opdrijven, moeten ze geen bod uitbrengen. Op dat punt is de Belgische overnamewet erg soepel, in vergelijking met onder meer Frankrijk en het VK.’

Bron: De Tijd 13/06/07